Egbertale

Over zingeving en economie en alles wat daar tussen ligt

  • Home
    Home Hier kunnen alle blogberichten op de hele site gevonden worden.
  • Tags
    Tags Toont een lijst met tags die in de blog gebruikt zijn.
  • Inloggen
    Login Inlogformulier

Alleen de vreemde eend ziet de rare bijt

op
  • Fontgrootte: Groter Kleiner
  • Hits: 2416
  • Afdrukken

Zaterdag 11 april publiceerde Joris Luyendijk in de NRC het artikel ‘Bankiers leven in een amoreel universum’. In dit artikel betoogt Luyendijk dat ethiek en moraal geen rol speelt in het dagelijks leven van een werknemer in de bankensector. Het is niet zo dat bankiers per sé rechtse zakkenvullers zijn, het probleem is veel meer dat zij hun normen en waarden thuis laten. Hij illustreert zijn stelling aan de hand van een gesprek dat hij voerde met een linkse bankier, die toch gewoon zijn bonussen op streek. Als de bankier dat niet had gedaan, zou hij de risee van de afdeling zijn geworden.

Er is blijkbaar een cultuur binnen banken die het aan de orde stellen van ethische vragen niet bevordert. Luyendijk:

Mijn opdracht is simpel, zeiden de geïnterviewden, ik moet namelijk binnen de wet een zo hoog mogelijke winst halen voor de aandeelhouders die de eigenaren zijn van mijn bank. Discussies over ‘goed’ en ‘fout’ worden simpelweg niet gevoerd, legden ze uit.

Hoe zou dat ook kunnen met een vocabulaire dat de kans op het losbarsten van een ethische discussie minimaliseert. Men spreekt niet over de morele kanten van een plan, maar over het ‘reputatierisico’ ervan. De legale ontwijking van belasting heet ‘fiscale optimalisatie’ middels ‘belastingefficiënte instrumenten’. Het voor eigen voordeel tegen elkaar uitspelen van landen met verschillende regels heet ‘toezichtsarbitrage’.

Het grootste compliment in de wereld van de amorele shareholder value is iemand ‘professioneel’ noemen. Het betekent dat jij op je werk emoties buiten beschouwing weet te houden, inclusief morele overtuigingen. Die immers, zijn voor thuis.

Zoals bekend heeft Luyendijk, als vreemde eend in de bijt, zich begeven in de Londense city waarin hij bankiers heeft geïnterviewd om meer zicht te krijgen op de achtergronden van de kredietcrisis. In het artikel en in zijn boek trekt hij conclusies over de economische en ethische drijfveren van bankiers. Kan hij dat zomaar doen, als antropoloog en dus niet geschoold als econoom of ethicus?

Filosoof en schrijver Maxim Februari vindt van niet. Hij neemt enkele dagen later het stuk op de korrel in zijn column ‘Bankiers argumenteren wel degelijk moreel’ (NRC 14 april). Hij had het artikel van Luyendijk ‘knikkend en misprijzend hoofdschuddend’ gelezen. Volgens Februari is het onmogelijk om als mens zonder normen en waarden, zonder moreel houvast, te functioneren. Het probleem is niet dat bankiers geen normen en waarden hebben, het probleem is dat ze zich baseren op een utilitaristische ethiek.

Het probleem is eerder dat een utilitaristische ethiek dominant is geworden in het denken over economie – en dat het zich vervolgens heeft meester gemaakt van alle sectoren van het leven. Utilitaristische ethiek is per definitie kwantitatief. Een utilitarist vraagt zich af hoe keuzes uitpakken voor de algemene som van goed minus kwaad. Geluk minus pijn.(…)

Hoge bonussen verdedigen omdat de samenleving als geheel beter af is met dure bankiers aan het roer: een typisch utilitaristisch argument. Hoge kijkcijfers eisen omdat je zo veel mogelijk mensen wilt plezieren: een typisch utilitaristisch argument.

Tot zover is er niets mis mee. Maar er zijn klassieke problemen die de utilitarist moeilijk kan oplossen. Twee daarvan zijn hier belangrijk. Ten eerste kunnen utilitaristen moeilijk passen en meten met verschijnselen die onmeetbaar zijn. Vrijheid. Schoonheid.

Ten tweede hebben ze geen kaas gegeten van de verdeling van welvaart en welzijn. Volgens mij denken veel bonusinners serieus dat iedereen uiteindelijk wint als de rijken maar eerst rijker worden. Het verdelingsvraagstuk, dat Piketty onlangs weer heeft opgeworpen, gaat aan ze voorbij.

Op mijn beurt knikkend en hoofdschuddend las ik deze column van Maxim Februari. Ja, terecht geeft Februari aan dat een moraal gebaseerd op economische, utilitaristische grondslagen wel degelijk een moraal is. Maar de bewering dat utilitaristische ethiek geen kaas gegeten heeft van verdeling van welvaart is onzin. De Engelse filosoof Jeremy Bentham, grondlegger van het utilitarisme was op theoretische, dus utilitaristische gronden juist voor het herverdelen van vermogen. Zijn argument was dat het marginaal nut van geld voor een rijke kleiner is dan voor een arme, dus het totale nut van de maatschappij neemt toe bij herverdeling. Ik heb weinig met het utilitarisme als ethische leidraad. Maar de bewering van Februari dat utilitaristen geen oordeel hebben over welvaart en welzijn is nu precies niet waar.

Ook de aanval van Februari op de centrale stelling van Luyendijk snijdt weinig hout. De centrale stelling van Luyendijk is dat er sprake is van een moreel vacuüm binnen banken. Het is vooral een kwestie van een verkeerd soort moraal, namelijk de utilitaristische, aldus Februari. Dat doet geen recht aan wat Luyendijk signaleert.

Uiteraard neemt ieder mens in zijn dagelijks leven beslissingen waarbij ethiek en moraal een rol spelen. Ook binnen banken heerst een ethisch klimaat op micro niveau. Je steelt niet de portemonnee van je collega. In zoverre heeft Februari gelijk. Maar Luyendijk wijst terecht op het verschijnsel dat professionals als regel geen ethische vragen willen of kunnen stellen bij het beleid van een organisatie.  Accountmanagers stelden geen vragen bij het businessmodel van de woekerpolissen. Dat is begrijpelijk, want voortdurende ethische discussies zouden de productiviteit niet bepaald bevorderen.

Dit geldt niet alleen binnen de commerciële sector, maar zeker ook binnen de publieke sector. Ambtenaren worden geacht loyaal te zijn aan de politieke top, los van hun eigen politieke kleur. Ook een ambtenaar is een professional.

Maar dit betekent wel dat werknemers een deel van hun ethische opvattingen thuis laten. Daarbij maakt het niet uit of deze werknemers fan zijn van Bentham of Kant of wat voor moraal dan ook hebben. Ze passen hem eenvoudig weg niet toe. Of beter gezegd: ze hebben het uitbesteed aan de top van het bedrijf, de managers, de politiek, de wet of de statuten. Dit werkt voor de grote meerderheid soepel. Zij zijn zich niet na verloop van tijd niet eens meer bewust van de ongeschreven regels van de vijver waarin zij zwemmen.

We hebben een woord voor werknemers die bij een onethisch beleid hun persoonlijke ethiek niet kunnen thuislaten: dat zijn klokkenluiders. De rest van een organisatie beschouwt klokkenluiders echter vaak als niet loyaal, en niet professioneel. Luyendijk stelt de vanzelfsprekendheid waarmee de gemiddelde werknemer  z’n mond houdt aan de orde en wat de effecten daarvan zijn voor het systeem als geheel. Hij doet dat beter dan een ethicus of econoom had kunnen doen. Er was een vreemde eend voor nodig om te laten zien hoe raar die bijt was.

 

Laatst aangepast op

Egbert Oldenboom is onderzoeker, community builder en (sinds 2013) blogger. Hij schrijft over alles wat hem raakt.

Laat uw reactie achter

Gast
Gast donderdag, 14 december 2017

Meerwaarde op Facebook